woensdag 25 april 2012

Toepassingskaart 8. Dyslexie II JK

Ik had ervoor gekozen om samen met een aantal medestudenten een presentatie te geven. Dit waren de voorbereidingen voor onze presentatie:

Ralfi:
Ralfi is geschikt voor kinderen die de spellende leeshandeling wel beheersen maar langdurig veels te traag blijven lezen. Ook voor de kinderen bij wie het avi niveau stil staat (minder dan 2 avi’s per jaar).
* Het versneld lezen op dit niveau is niet geautomatiseerd.


Uitgangspunten van Ralfi:
R: repeated, herhaaldlezen met tussenpozen
A: assistent, ondersteund door voorlezen, voorzeggen en bijwijzen.
L: Level, inzetten op een hoog niveau (leeftijd is adequaat)
F: Feedback, directe neutrale feedback bij fouten maar ook toegespitste positieve feedback.
I: interactie, enthousiaste interactie over de inhoud.


Lezen en de woordenschat:
De betekenis en beleving staan centraal, het begrijpen van de tekst is hierbij belangrijk.
Verder is woordbegrip een zeer belangrijke en bepalende factor.
Een efficiente didactiek hierbij is CUVAR:
CU= context en uitleg geven à betekenis a.d.h.v. het verhaal
V = variatie: leerkracht zegt het woord binnen verschillende contexten.
A = aanvulzin: leerkracht zegt een aanvulzin met het te lerenwoord.
R = Registratie: de leerkracht of leerling schrijft het woord op en iedere keer dat de leerling het woord actief gebruikt komt er een streepje achter het woord om te kijken hoe vaak hij/zij het gebruikt.

De vormen waarmee je Ralfi aan kan bieden zijn:
1. Voorlezen: de eerste 5 keer wordt de tekst voorgelezen door een leerkracht ofouder in een normaal leestempo. De 6de keer leest de leerling zelf de tekst.
2. Koorlezen: Alle kinderen lezen tegelijkertijd de tekst voor
3. Duolezen: het ene kind leest de tekst op, de ander leest mee en helpt waar nodig is. Dit wordt uiteraard ook afgewisseld.
Individueel lezen: Het kind leest de tekst hardop terwijl de leerkracht mee leest en helpt.


Tot slot wordt er bij Ralfi lezen gebruik gemaakt van sessies, om precies te zijn 5 sessies.
In deze sessies komen alle bovenstaande vormen aan bod.


Connectlezen:
Fasen van connectlezen:
1. Interactief voorlezen (connect rijtje x3)
2. Schriftelijk dictee d.m.v. controlekaartjes
3. Mondeling dictee
4. Simultaanlezen, dit is koorlezen (allen hardop lezen)
5. Woordlotto, dit is een speelse manier om de woorden te oefenen (bingo)
6. Duo lezen, dit is waarbij 1 kind voorleest en de ander meeleest.

donderdag 5 april 2012

Toepassingskaart 7. Opstellen van individueel handelingsplan

1. Ik heb voor het rekenen leerling W gekozen. Zij valt uit op het onderdeel meten & meetkunde. De intakefase heb ik gedaan door opgaven te laten maken uit het Cito-boekje. Ik heb dit gefilmd zodat ik achteraf kon kijken welke opgaven goed en welke fout waren en waar het probleem ligt. Zo kan ik de grens bepalen.
Voor het andere vakgebied heb ik leerling N gekozen, zij valt uit op het onderdeel kritisch luisteren. Ik heb een boek voorgelezen en stelde achteraf vragen die ik met mijn mentor van te voren besproken had. Dit heb ik gefilmt, ik kijk achteraf welke vragen de leerling goed heeft en welke niet.
2.

Toepassingskaart 6. Observatie leerprobleem (tijdsteekproef)

1. Samen met mijn mentor heb ik besloten leerling C te observeren en te begeleiden. Hij vertoont niet-taakgericht gedrag wanneer hij een onderdeel kiest tijdens het werken. Hij kan hier lastig bij blijven, zelfstandig werken is moeilijk.
2. Wat is wil veranderen in het gedrag van de leerling is dat hij langer taakgericht bezig is met een werkje. Startobservatie: (Om de observatie te bekijken, klik erop.)










3. De leerling kan meer taakgericht werken wanneer hij een duidelijke instructie krijgt. 'Deze puzzel maak je af, ik kom zo nog even bij je kijken'. Zo weet de leerling waar hij aan toe is. Ook ben ik in de buurt van de leerling om hem te observeren. Ook is het fijn wanneer ik samen met de leerling ga kijken bij het planbord. Wat wil de leerling gaan doen? Waarom wil hij dat?

4. Eindobservatie: (Klik erop om deze observatie te kunnen bekijken.)








5. Wat er is veranderd: De leerling vertoont vaker dan eerst (stijging van meer dan 10%) taakgericht gedrag. Ook blijft de leerling vaker op zijn plek zitten omdat hij weet dat de leerkracht af en toe langs komt om te kijken hoe het gaat waardoor de leerling de leerkracht niet meer hoeft op te zoeken. Waarschijnlijk is het zo dat omdat de leerkracht vaker komt kijken en in de buurt is dat de leerling daarom minder contact heeft met medeleerlingen. Daarentegen is de leerling wel vaker aan het dagdromen.
6. Ik vind dat mijn aanpak geholpen heeft omdat de leerling vaker taak-gerichtgedrag vertoont en dat was mijn doel. Daarnaast heeft de leerling minder contact met medeleerlingen en loopt hij niet zo vaak meer van zijn plek. Een nieuw doel waar ik nu aan moet gaan werken is het dagdromen. Hoe ga ik ervoor zorgen dat de leerling effectief aan het werk blijft?

woensdag 4 april 2012

Bijeenkomst 4, vragen beantwoorden.

1. Ik verwachtte informatie over het GIP-model waar ik nog niets vanaf wist. Ook ben ik heel benieuwd naar het opstellen van een handelingsplan, hoe kun je dit doen met een aangereikte casus?
2. Ja, eigenlijk wist ik wel van het GIP-model af, ik wist echter niet dat het zo heette. Daarnaast hebben we in groepjes met een casus geprobeerd een handelingsplan op te stellen en te kijken welke informatie we nog misten en hoe we daar eventueel aan zouden kunnen komen.
3. Ik moet in mijn klas nog 2 handelingsplannen maken en daar ga ik het format wat we tijdens de les hebben gebruikt voor gebruiken.

woensdag 21 maart 2012

Bijeenkomst 3, vragen beantwoorden

1. Ik verwachtte feedback op toepassingskaart 6 omdat ik deze al gedaan had en deze in de les behandeld zou worden. Ook hoopte ik dat ik zelf leerlingen zou kunnen gaan herkennen die niet taak-gerichtgedrag vertonen, ook naar de oplosingen hiervan was ik erg benieuwd.
2. Ja, ik heb de opdracht mogen uitleggen aan klasgenoten. Ook hebben we veel filmpjes gekeken waardoor ik een breed beeld heb over niet-taakgerichtgedrag. Hierin werd ook het oorzaaksysteem van interne/externe attributies uitgelegd.
3. De toepassingskaarten heb ik al gedaan in mijn stage maar ik wil hier nog wel mee verder werken. Een kringgesprek met de klas over taakgericht werken lijkt me erg interessant.

woensdag 29 februari 2012

Bijeenkomst 2, vragen beantwoorden.

1. Ik verwachtte input en tips om aan de speciale behoeften van leerlingen te kunnen voldoen.
2. ja, er is een filmpje bekeken waarop het gedrag van een leerkracht werd gereflecteerd. Ook hebben we ons eigen gedrag bekeken en in een schema gezet.
3. Er op letten welke behoeften leerlingen nodig hebben d.m.v. video.

woensdag 15 februari 2012

Bijeenkomst 1, leerdoelen voor de komende periode.

Mijn leerdoelen/leervragen voor de komede periode zijn:
Leervragen:
-Hoe stel je een handelingsplan op? Hoe voer je deze uit? Hoe evalueer je hierop? Heel toevallig (wist ik niet van te voren) is dit ook de opdracht in een toepassingskaart. Ik zal mij dus aan de toepassingskaart houden en zo mijn mentor bevragen.
-Hoe ga ik om met de tijd? Dit is basiscompetentie 4, onderdeel: Is de student in staat om gedurende 2 dagen aaneengesloten en twee dagdelen onderwijs te verzorgen waarbij taak en tijd bewaakt worden? Ik wil vooral veel lessen aaneengesloten achter elkaar geven zodat ik veel moet letten op de tijd. Wat doe ik als ik eerder klaar ben? Wat doe ik wanneer ik merk dat ik het niet ga halen? Hierin vraag ik de hulp van mijn mentor.
-Differentiatie in de klas. Ik loop nu stage in een klas met 6 verschillende werkniveaus: groep 1, zwak/gemiddeld/sterk en groep 2, zwak/gemiddeld/sterk. Ik wil me hierin gaan verdiepen en het lesgeven hierop aanpassen. Dit houdt in dat ik veel zal gaan werken in kleine groepjes.
-Mijn eigen spontaniteit. Op mijn vorige stage moest ik alles heel strak houden. Nu loop ik stage bij de kleuters en mijn leerdoel van vorige periode was dat ik vooral een heel gezellige juf wil leren worden. Een kleuterstage leent zich daar perfect voor. Een voorbeeld om dit te oefenen is om 'de grap van de dag' te doen. Even aan het einde van de dag lees ik een grapje voor.
-Methode piramide. Ik wil met de piramide-methode gaan werken. Ik heb hier nog niet eerder mee gewerkt, maar het ziet er heel fijn uit. Ik wil mijn mentor over de methode bevragen en ik ga uiteraard zelf met de methode werken.
-Ik wil een koppeling gaan maken tussen VVE en de kleuterklas. In mijn kleuterklas zitten namelijk ook al leerlingen van 3 jaar. Deze leerlingen leren hier de Nederlandse taal. Ik ben erg benieuwd naar hoe dit in zijn werk gaat en zal hiervoor mijn mentor het een en ander vragen.